
VRAGEN EN ANTWOORDEN
Adviesbureau Spelen en Speelgoed geeft onafhankelijke antwoorden, vanuit een pedagogische achtergrond.
Op deze pagina staat een selectie van de vragen en de antwoorden.
Stuur ons een
met uw vraag en geef daarin aan of wij
deze met het antwoord hier mogen plaatsen.
Alle e-mails krijgen antwoord.
"Heb je misschien tips voor een jongetje van bijna 8 jaar dat heel erg slecht tegen zijn verlies kan?"
"Wel of niet trampolinespringen?"
"Waarom kiezen kinderen vaak speelgoed waar ze nauwelijks mee spelen?"
"Help, kunnen speelgoedpistooltjes wel of niet?"
"Hoe weten we of het speelgoed veilig is?"
"Bestaat er ook speelgoed dat intelligentie bevorderend is, zo ja, welk speelgoed is dat en waar moet ik op letten, vanaf 0 jaar?"
"Zou u een mening willen geven over het spel van onze zoon, nu 2,8 jaar oud?"
Halverwege september begint het nieuwe speelgoedseizoen.
Waarom kiezen kinderen speelgoed waar ze nauwelijks mee spelen?
Speelgoedwinkeliers sturen verleidelijke boekwerken, op de televisie verschijnt steeds meer
speelgoed in reclames en in programma’s en de commerciële Speelgoed van het Jaar verkiezing
lijkt bijna op een pedagogisch advies.
Geen wonder. Speelgoed is handel. De handel doet er alles aan om de kinderen goed te
informeren.
De laatste vier maanden van het jaar zijn goed voor ongeveer 70% van de omzet in speelgoed.
Meer dan in de rest van het jaar, zijn dit maanden waarin kinderen mogen zeggen wat ze hebben willen.
Niet alleen voor Sinterklaas. In het najaar zijn veel kinderen jarig en na de zomermaanden
waarin buitenspeelgoed (nauwelijks) nodig was, begint het seizoen waarin binnen wel met
ander speelgoed gespeeld moet worden.
De verlanglijsten zijn dikwijls lang en dwingend.
Wie de kans krijgt om te zeggen wat hij (gratis) hebben wil, kiest vaak niet voor het
nodige maar voor het gewenste.
Om te weten wat je nodig hebt, moet je voorzien met wat je, hoe, met wie je gaat spelen,
wat je wil gaan maken,waarvoor je het wilt gaan gebruiken. Vooruit denken is moeilijk voor
kinderen. Hun voorstellingsvermogen reikt niet veel verder dan het moment van uitpakken.
Kinderen kiezen geen speelgoed op gebruiksmogelijkheden maar op uiterlijke kenmerken.
De uiterlijke kenmerken waarop zij de keuze bepalen zijn:

En juist het speelgoed met veel uiterlijke kenmerken is aantrekkelijk voor televisiereclame,
waarbij alles om een snelle boodschap draait. In een seconde is te zien hoe flitsend en
mooi iets eruit ziet en hoe het werkt. Speelgoed voorzien van kabouter Plop, Muis, Winnie
de Poeh of Dikkie Dik heeft niet eens een boodschap nodig. Alleen het bekende plaatje telt.
Dit speelgoed is leuk zo lang het plaatje populair is. (Wat soms niet erg is, want een
puzzel leg je niet zo vaak).
De boodschap is duidelijk en sluit aan op de keuzecriteria van kinderen.
De verlanglijst vol vurig gewenste hebbe-hebbe speelgoed geeft dikwijls geen mogelijkheden
voor lang en intens speelplezier.
Want speelgoed met minder uiterlijke kenmerken stelt letterlijk minder voor……maar heeft
over het algemeen meer speelwaarde.
Speelgoed met veel ‘toeters en bellen’ bepaald het spel. Het kind kan alleen doen wat het
speelgoed voorschrijft. Een radiografisch bestuurbare ladderwagen met brandweersticker kan
niet doorgaan voor een ladderwagen van een schilder. Een pratende pop zegt alleen wat er op
het bandje staat, andere poppen zeggen wat het kind denkt. Mooie voorbeelden op de doos
beperken de inhoud, speelgoed werkend op batterijen is vaak mooi om vooral naar te kijken.
Te veel uiterlijke kenmerken maken dat speelgoed snel verveelt. Spelen is nu eenmaal ervaren,
ontdekken, uitproberen en herhalen, met fantaseren en nadoen, minder perfect misschien maar
met eigen idee. Spelen wordt alleen maar leuker en waardevoller wanneer kinderen hun spel
kunnen herhalen, variëren, uitproberen en er handig mee worden. Dat kost moeite en tijd.
Daar past speelgoed bij met minder uiterlijke kenmerken. Blokken, een basisdoos van een
constructiesysteem, een pop die niks kan en dus alles, een gewone bal, speelgoed zonder
batterijen, bordspellen.Dit speelgoed zie je nauwelijks op de televisie, valt niet op in
de boeken, wordt zelden “Speelgoed van het Jaar’.
Gelukkig is veel leuk speelgoed te koop, waar meer mee te doen is.
Wie weloverwogen voor speelwaarde kiest, let op een goede mix van uiterlijkheden. Niet te
veel toeters en bellen, maar ook niet te weinig. Want kinderen spelen omdat ze het leuk
vinden om te spelen, daar hoort speelgoed bij waarmee ze daarvoor de kans krijgen, goed
leuk speelgoed dus.
Dit speelgoed staat niet altijd bovenaan op het verlanglijstje. Sinterklaas is een wijze
man. Hij houdt van verrassen en kent zijn pappenheimers.
Terug naar de vragen
"Help, kunnen speelgoedpistooltjes wel of niet?"
Het probleem bij pistooltjes is wat grote mensen erbij denken.
Vraag aan volwassenen wat ze tegen pistooltjes hebben en je krijgt een waslijst vol moeilijke begrippen:
Peuters begrijpen weinig van deze grote mensenangsten. Wij gunnen ze deze onschuld, maar
weten zelf beter. Daar zit het probleem. Want wat dood zijn betekent, is moeilijk uit te
leggen. Waartoe mensen in staat blijken te zijn, beseffen we met schaamte. Tussen spel en
realiteit loopt een nauwelijks waarneembare belangrijke grens. Kinderen kunnen daar
spelenderwijs overgaan zonder begrip voor wat wij weten en voelen.
Simpelweg het spelen met pistooltjes verbieden brengt spel en realiteit niet dichter bij
elkaar.
Het is niet nodig om kinderen te laten zien hoe hard de wereld is om ze duidelijk te maken
wat de normen en waarden zijn waar wij aan hechten.
Dit kan bijvoorbeeld door het vervangen van de in de inleiding genoemde begrippen door voor
kinderen begrijpelijke woorden. Hierdoor sluit ons commentaar beter aan bij waarmee ze bezig
zijn en krijgt de harde, vaak verre of abstracte realiteit, een praktische vertaling.
Agressie wordt dan de baas spelen, bedreiging - elkaar bang maken, dood schieten –
lelijk doen tegen elkaar, intimidatie - elkaar plagen, asociaal gedrag - elkaar storen,
oorlog en strijd, tegen elkaar te keer gaan. Daar treden we tegen op, met of zonder
pistooltje.
Dan blijkt het pistooltje ineens een stuk speelgoed, zoals al het andere speelgoed, namelijk een
middel om te gebruiken bij het spelen. Niet het pistooltje bepaalt of iets kan of mag, maar
het gedrag met het pistooltje, de tak, de twee stukken LEGO of de uitgestoken vinger.
Schieten met een waterpistool bij warm weer is een ander spel dan ‘paupauwen’ en een
zwaardgevecht vereist meer handigheid dan agressie. Een (zelfgemaakte) ‘wapen’ in de
broekriem, kan zelfvertrouwen geven aan een timide peuter en de spanning van verstoppen en te
voorschijn springen heeft pedagogische waarde.
Daar staat tegenover dat ‘pauw pauwen’,anderen kan storen, kinderen bang kan maken, onrust
geeft en meer gillen dan spelen kan betekenen.
Waar de grens ligt, hangt af van wat wij vinden dat verantwoord is.
Spelen en speelgoed spiegelen onze maatschappij.
Wat voor pistooltjes geldt, geldt voor
Action Men, computerspelletjes en ja ook voor Barbies, altijd een winnend jongetje op de
deksel en alles wat lief is uitsluitend voor meisjes.
De belevingswereld van peuters richt zich op de wereld om zich heen, kleuters ‘spelen’ met
de realiteit door een eigen speelwereld te creëren, oudere kinderen nemen de werkelijkheid
tot in alle realistische details en betekenissen waar.
Aansluiten op de belevingswereld van kinderen betekent dat bij een peuter geen machinegeweer
met lichtflits effecten past en dat we hem duidelijk kunnen maken wat agenten vaker doen dan
met getrokken wapen achter boeven aan rennen. Voor een kleuter betekent spelen in de
fantasiewereld van cowboys en indianen niet dat hij vervelend mag doen tegen andere kinderen.
Oudere kinderen kunnen niet alleen weten wat een machinegeweer is, ze kunnen ook begrijpen
wat de gevolgen van het gebruik daar van kunnen zijn.
Terug naar de vragen
"Hoe weten we of het speelgoed veilig is?"
Op alle speelgoed dat gemaakt en/of verkocht wordt in de
landen behorend bij de Europese Unie, hoort het
-vignet te staan met de
vermelding van naam en adres van de fabrikant.
Hiermee geeft de fabrikant aan dat dit speelgoed
volgens hem voldoet aan de door de EU vastgestelde veiligheidsrichtlijnen voor
speelgoed.
CE is geen keurmerk.
Keurmerken worden verleend door onafhankelijke instituten.
Keurmerken
komen wél voor op speelgoed.
Bijvoorbeeld TUV, GS
of Spielgut.
Speelgoed zonder CE vignet kan te koop zijn als speelwaren.
Dit zijn artikelen die er uit zien als speelgoed, maar bedoeld zijn als
decoratie. 
Bijvoorbeeld de treintjes met haakjes waaraan de wagons hangen, de
nostalgische teddyberen gevuld met houtwol, of de antieke poppen met glazen ogen in porseleinen hoofden.
Wat wel of niet onder de richtlijnen voor speelgoed valt is
een voortdurende bron voor discussie.
Een pluche beer met knipperogen en trilfunctie, valt niet onder
speelgoed zodra de beer hangt aan een sleutelhanger.
Overigens zijn ongelukken met veilig speelgoed niet uit te
sluiten. Speelgoed moet veilig gemaakt, veilig gegeven en veilig gebruikt
worden. De verantwoording voor het veilig geven en veilig laten gebruiken van
speelgoed, ligt bij de ouders en opvoeders. Net als het kiezen van speelgoed
voorzien van een CE vignet.
Terug naar de vragen
Goed speelgoed is altijd min of meer intelligentie bevorderend.
Intelligentie is geen specifiek afgebakende vaardigheid. Bij bewegen, creatief
zijn en construeren gebruikt men ook intelligentie.
Onder intelligentie verstaat men het vermogen om inzicht te verwerven en met
dit inzicht (eigen) toepassingen of oplossingen te bedenken.
Onder speelgoed waarmee de intelligentie te bevorderen is, verstaat men
dikwijls speel-leerspeelgoed en puzzels. Men noemt dit ook wel
cognitiespeelgoed, speelgoed waarmee de cognitieve vaardigheden of wel kennis
is te vergaderen , te toetsen of te tonen.
Maar speelgoed waarmee gespeeld wordt onder begeleiding van (of door
ingebouwde) klassieke muziek, heet ook intelligentie bevorderend te zijn.
Fisher price bracht een paar jaar geleden babyspeelgoed met ingebouwde klassieke muziek op de markt, naar aanleiding van een Amerikaans onderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat kinderen door klassieke muziek rustig werden en daardoor beter in staat waren om zich te concentreren. Concentratie is een vaardigheid. Men kan oefenen. Concentratie is een voorwaarde om kennis te kunnen opnemen en te verwerken.
Dit zijn voorbeelden van vertalingen naar de praktijk gebaseerd op het verlang
om voor ieder doel een nauw omschreven middel te kunnen kiezen.
Het Amerikaanse onderzoek toonde in feite aan , wat al bekend was, dat
kinderen bij hun spel rust om zich heen nodig hebben: Niet te veel herrie en
niet te veel kleur of andere afleidende bewegingen.
Goed speelgoed is een middel bij het spelen. Dat wil zeggen; het is geen doel
op zich maar stelt een kind in staat zijn spel te spelen (het speelt met
auto's en kan daar blokken bij gebruiken). Speelgoed als middel houdt altijd
een vrijheid, een eigen keuze, en inventiviteit in....een kind kan er zelf iets
mee of bij verzinnen. Goed speelgoed maakt een kind nieuwsgierig, daagt het
uit en stimuleert het .....
Daarin ligt de basis van intelligentie.
Uit onderzoek blijkt dat alertheid een belangrijke voorwaarde is voor de
ontwikkeling van intelligentie.Voor het ontwikkelen en stimuleren van
alertheid, zijn de voorwaarden om tot spelen te komen belangrijk.
Behalve uitdagend speelgoed, passend bij interesse en mogelijkheden van het
kind, zijn daar voor belangrijk:
Hij kan heel goed praten, en is sinds we ons kunnen herinneren "verslaafd" aan auto's en voertuigen in
het algemeen. De laatste maanden (vooral eigenlijk sinds zijn spraak op dreef gekomen is) swingt zijn
fantasie de pan uit, het lijkt wel of hij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat om en over alles
verhaaltjes bedenkt. Hij praat ook af en toe echt zinnetjes na uit filmpjes of theatervoorstellingen
die hij ziet, is dat niet vreemd? Ik heb nl. steeds het idee dat dit iets typisch is voor kinderen met
problemen?
Enkele voorbeelden: ik ontmoet hem met zijn vader vanmiddag in het park na mijn werk, nauwelijks heeft
hij mij gezien en begint al: ‘hallo, ik heb een brief voor jou ‘. Hij is de postbode dan.
Dat doet hij
ook vaak thuis, komt hij ineens in de keuken met de melding dat hij een brandweerman is, of Bob de
Bouwer, en verwacht dan echt dat ik hierin mee ga.

Meestal doe ik dat ook wel, maar ik heb soms de
indruk dat ik niet meer "normaal" met hem over dagdagelijkse dingen kan praten, hij blijft maar
fantaseren. Je praat met hem over weet-ik-veel-wat, en ineens merkt hij midden in het gesprek op dat
het koordje van zijn badjas een brandladder is...
's Morgens is hij vaak een racewagen die door de gang
suist en drinkt enkel zijn melk als die als benzine afgedaan wordt...
Zo kan ik nog talloze voorbeelden
noemen, vaak speelt hij ook verhaaltjes uit boeken die hij leest, na of dingen van op de TV. Hij kan
naar aanleiding hiervan ook nieuwe verhalen uitvinden. Hij praat ook af en toe echt zinnetjes na uit
filmpjes of theatervoorstellingen die hij ziet, is dat niet vreemd? Ik heb nl. steeds het idee dat dit
iets typisch is voor kinderen met problemen?
De essentie van de vraag is dan ook: hoeveel fantasie mag of kan een kind van bijna drie hebben?
Enerzijds liggen wij vaak in een deuk door zijn verhalen, maar soms maak ik mij zorgen of het niet
teveel van het goede is. Hij kan het nl. ook niet laten als er andere kinderen in de buurt zijn en
bv. het stukje papier wegschoppen dat voor hen niet meer dan een propje is, maar voor hem een te
recycleren vuilnis voor zijn vrachtwagen... hij wordt dan echt woedend en verdrietig, hij gaat
ongelooflijk op in zijn spel. Misschien nog zeggen dat hij enig kind is, nogal gevoelig en lichtgeraakt
en uitermate nieuwsgierig en observerend.
Geniet van de heerlijk fantasie van uw kind.
Zoals u het beschrijft is hij volop bezig met
verwerken van dagelijkse indrukken. Hij fantaseert niet over dingen die niet bestaan (enge beesten,
wat er allemaal zou kunnen gebeuren als... ) maar over datgene wat hij heeft leren kenen en waarin hij
een rol vervult of zou willen vervullen...het echte doen alsof spelen.
U zult merken dat hij hierin een
eigen logica gaat ontwikkelen en juist door dit begin van logisch denken kunt u hem met beide beentjes
op de grond houden. Laat hem bijvoorbeeld ervaren/ontdekken hoe een (door hem) geschreven brief of
kaart, voorzien van postzegel, getopt in de brievenbus bij de geadresseerde terechtkomt.
Laat hem spelen met een brandweerauto of geef hem een brandweerhelm. Al spelend ontdekt hij oorzaak en
gevolg en krijgen zijn verhalen kop en staart.

Van alles een spelletje willen maken kan vermoeiend en
leuk zijn, maar behoudt structuur door vol te houden wat gedaan moet worden. Melk als benzine naar
binnen gieten, ok dan ook de ramen wassen daarna (mond poetsen) en ook auto's moeten zich aan een
bepaalde snelheid houden om ongelukken te voorkomen. Af en toe een knuffel en zeggen dat je hem ook
graag als heel lief jongetje genaamd...ziet, houdt de boel af en toe in evenwicht. Maar voorlopig...
geniet er van, anticipeer op zijn aandacht en laat merken wanneer zijn fantasie met hem op de loop gaat
of hij er misbruik van maakt.
Of uw kind problemen heeft kan ik uiteraard op deze afstand en op basis van deze informatie niet
beoordelen. Uit wat u schreef maak ik op dat uw zoon een intelligente, alerte jongen is, met op vol
vermogen draaiende hersenen. Het verbaast me dan ook niet dat hij snel iets opneemt. Het is zover ik
kan beoordelen een bewijs van zijn reproducerend vermogen. Maar blijf beseffen dat wat hij zegt niet
hoeft te betekenen dat hij begrijpt wat hij zegt, ook al gebruikt hij woorden in de juiste context en
met de juiste intonatie. Zoals gezegd is hij heel erg aan het naspelen. Aan een eigen inhoud geven,
met eigen emoties en met combinatie van verschillende indrukken in een andere situatie of emotie, daar
is hij nog niet aan toe. Kortom als hij 'dood' roept weet hij nog niet wat dood is. Zoek niet meer
achter zijn woorden voorlopig dan dat hij de woorden heeft opgepikt. Binnen een jaar krijgt deze
woordenschat een andere lading en daardoor een ander gebruik.
Terug naar de vragen
Wat zullen we straks gaan doen?
In het tijdschrift "Groter Groeien"zag ik de link naar uw website en ik wilde meteen graag een vraag
aan u voorleggen:
Onze oudste zoon (4 jaar en 2 maanden) heeft nooit goed zelf kunnen en willen spelen. Als baby wilde
hij al niet graag in de box liggen. Ik heb veel met hem samen gespeeld en vaak geprobeerd hem alleen
te laten spelen (nadat we samen begonnen waren of na de afspraak dat hij even alleen zou spelen en dat
we daarna samen weer iets leuks zouden gaan doen, ik heb de kookwekker op 10 minuten gezet of laten
zien dat ik dat ene hoofdstuk uit zou lezen of de vaatwasser leeg wilde ruimen en dat ik daarna weer
met hem zou gaan spelen, enzovoorts.) Hij kan nog steeds niet langer dan enkele minuten zelf met iets
spelen. Zoekt dan weer iets anders of zoekt mij weer op. Sinds z'n broertje (2) oud genoeg is om mee
te spelen gaat het wel beter. Dan spelen ze afwisselend alleen en samen. Sinds hij naar school gaat
lijkt het ook beter te gaan (speelt langer en geconcentreerder) behalve in de weekenden en vakanties,
dan valt hij helemaal terug.
Hun speelgoed ligt altijd voor de helft boven (opgeruimd) en voor de helft beneden, waar ze het kunnen
pakken. Boeken, spelletjes en grote spullen op planken en kleinere spullen (bij elkaar horend)
opgestapeld in doorzichtige dozen op de grond. Ongeveer 1 x in de maand verwissel ik een deel van het
speelgoed.
Op dagen dat we vrijwel de hele dag thuis zijn speelt hij heel moeizaam, hij hangt het liefst om me
heen en zeurt om "wat we straks zullen gaan doen". Iets te spelen aanbieden helpt niet of kort, hij
wíl vaak ook gewoon niets doen. Hij claimt. Het valt me steeds moeilijker daarmee om te gaan.
Wat vind u hiervan en hebt u tips voor ons en voor onze zoon ?
Wat geschikt is voor uw kind, kan ik u niet met honderd procent zekerheid zeggen. Eenvoudig omdat een
kind pas bijzonder is zodra hij niets bijzonders is. Ik ken uw kind niet, noch zijn omstandigheden en
uw verwachtingen. Ik kan slechts algemene suggesties geven. Het door u geschetste beeld is heel
duidelijk. U herkent claimgedrag en heeft er al het nodige aan gedaan.
U beschrijft twee oorzaken voor zijn claimgedrag:
1 het doet graag niets en 2 hij doet graag iets met een ander.
Die twee geven mogelijk aan dat uw kind liever beleeft dan initieert (een spel verzint,
begint, leiding geeft). Met daarbij de aantekening dat wat u 'niets doen' noemt, best dromen, genieten,
kijken en luisteren kan zijn. Er zijn onderzoeken waaruit blijkt dat ruimt 70% van de activiteit van
peuters bestaat uit kijken/luisteren en beleven en dat juist daardoor peuters in staat zijn om
indrukken en ervaringen te ordenen en te verwerken.
Wat u 'niets doen' noemt kan mogelijk heel
belangrijk zijn voor de concentratie ontwikkeling van uw zoon en zijn ontwikkeling van interesses.
Belangrijk is daarbij het gevoel te mogen kijken, luisteren, denken. Wanneer een kind uit de reacties
(houding) van zijn omgeving opmaakt dat niets doen niet gewaardeerd wordt of zelfs verwijtbaar gedrag
is, zal hij zich schuldig voelen zodra hij zich realiseert weer te hebben zitten dromen. Met als
mogelijke reactie een overdreven drang om te presteren, het goed te maken, bijvoorbeeld door
onmiddellijk en leuk te willen spelen (met u). Uit wat u verhaalt blijkt weinig eigen initiatief.
![]()

Zowel voor de eerste als tweede reden raad ik u aan om het initiatief meer bij hem te laten. Aan de
randvoorwaarden (speelgoed wegzetten en rouleren enz.) heeft u voldaan. Nu nog de rust opbrengen om
hem zijn eigen plan te laten trekken. Zeg niet wat hij moet doen. Vraag. Alle vragen die met wie , wat,
waar, waarom, hoe, (welke, wanneer) zijn te gebruiken, maar gebruik ze spaarzaam. Geef hem de kans om
een antwoord te bedenken. Vul zijn antwoord niet in en stel geen nieuwe vraag voor de vorige beantwoordt
is. (weet niet is geen antwoord). In het begin zal dit moeilijk zijn. Hij is immers gewend dat u wel
een keer toegeeft. Bedenk dat alles wat u voor hem verzint hem afhankelijk maakt. Natuurlijk bent u er
om hem te helpen. Als hij niet weet hoe iets moet kunt u het voordoen en bij een eigen idee kan u
suggereren waar, waarmee of met wie dit mogelijk is. Maar laat uit uw houding en reacties blijken dat
u waardeert wat hij verzint en onderneemt. Ga uit van zijn mogelijkheden en oplossingen ook al zijn
die minder mooi, minder snel en minder leuk dan wat u kan verzinnen of verwacht. Geef hem het gevoel
zichzelf te mogen zijn omdat hij is wie hij is.
Maar uit wat u beschrijft maak ik op dat u een scherp
oog heeft voor zijn mogelijkheden en een duidelijke mening. Geloof daarin en het komt wel goed. Nu al
maakt hij immers zijn eigen keuzes. Hij speelt omdat, wanneer, met wat en zo lang het leuk is om te
spelen. Wat niet leuk is, stoot hij af, boeit niet tot nauwelijks. Dat is uw uitgangspunt. Grootouders
hebben het recht om te verwennen. U kunt hooguit voorzichtig suggereren door hoog op te geven van zijn
aandacht voor en plezier met speelgoed waarmee niets is vastgelegd en dus van alles kan...zo knap hij
verzint van alles zelf en zoekt het graag zelf uit zonder voorgezegd te worden..... maar als dit geen
effect heeft troost u dan met de gedachte dat wat kort boeit ook weinig speelwaarde kan hebben.
Overigens bestaat speelwaarde niet alleen uit cognitieve waarde (verstand leren gebruiken), maar ook
uit waarde voor bewegen, beleven, verzinnen en samen spelen.
Kosteloos materiaal (dozen), afgedankt (een mooie oude hoed, kranten) en 'niet geëigend' (wel gekocht
maar niet te koop als speelgoed, zoals broodjesmix, wc papier e.d.), zijn voor dreumes en peuters
bijzonder interessant.
Terug naar de vragen
Wel of niet trampolinespringen?
Mijn dochter wordt binnenkort 2 jaar. Ze is dol op trampolinespringen en doet dat vaak op de trampolines van de kinderen uit de buurt.
Dat zijn grote trampolines met een net er om heen, dus betrekkelijk veilig.
Het is heerlijk om te zien hoeveel plezier ze beleeft aan dat springen, maar ik sta er handenwringend naast en heb er eigenlijk helemaal geen goed
gevoel bij. Ze is nog zo klein (84 cm en nog geen 11 kilo) en stuitert alle kanten op.
Ik krijg dan visioenen van whiplashes en andere ongelukken.
Nu heeft mijn man voor haar verjaardag via marktplaats een minitrampoline gekocht, met een diameter van iets meer dan een meter, korte pootjes en
zonder net. Het mooiste kado wat hij haar kan geven natuurlijk in haar ogen, maar ik vind dat ding nog gevaarlijker dan een grote trampoline.
Ben ik nou een overbezorgde moeder of klopt mijn gevoel dat dit ding niet veilig is voor haar!?
De trampoline geeft een mooi voorbeeld van een dilemma tussen uidaging aan uw dochter willen bieden en verantwoording voor de veiligheid willen
dragen.
Om dilemma's te bespreken schreef ik, in opdracht van de Nationale Speelraad, het boekje "Uitdaging & Veiligheid".
Het is via deze website te bestellen voor € 3,- excl. portokosten.
Hierin staat een overlegstructuur beschreven die u kunt gebruiken bij het bespreken van dit soort dilemma's.
In het kort bekijkt u hiervoor het dilemma vanuit vier perspectieven:
Terug naar de vragen
Heb je misschien tips voor een jongetje van bijna 8 jaar dat heel erg slecht tegen zijn verlies kan?
Bij deze heb ik een vraag van een moeder die bij ons (een opvoedingswinkel) binnenliep en misschien heb jij hierop een antwoord?
Heb je misschien tips voor een jongetje van bijna 8 jaar dat heel erg slecht tegen zijn verlies kan? De emoties lopen bij hem zo snel op dat hij moet huilen of heel boos word
en niet meer zo goed weet wat hij doet, bijvoorbeeld iemand schoppen met voetbal? Soms word hij er ook door gepest op school.
Tegen je verlies kunnen, moet je leren. Je moet leren dat verliezen niet altijd falen is en dat het bij het leven hoort om een ander de winst te gunnen…sportiviteit .
Maar dat kun je alleen leren als je ontdekken mag wat jij wil en kan op jouw manier.
Veel kinderen krijgen te veel spelregels opgelegd en te moeilijke spelletjes met te moeilijke opgaven te snel voor hun kiezen.
Te vaak worden kinderen afgerekend op prestaties, zonder waardering voor het proces (hun inzet).
Kinderen moeten groot mogen worden met vallen en opstaan, falen en fouten, zoeken en moeite.
Ze verleggen hun grenzen binnen hun bereik. Door er naar te reiken…en niet door iets van ze te verwachten zonder dat ze daar al zijn.
Dit manneke heeft waarschijnlijk niet alle stappen goed doorlopen.
De eerste spelletjes tot een jaar of vier zijn “gezelschapsspelletjes die je in je eentje mag doen”… Dat wil zeggen…de spelregels bestaan voor het
belangrijkste deel uit ‘wachten op je beurt’ verder moet iedere speler vooral voor zijn eigen spel zorgen…
Bij lotto bijvoorbeeld je eigen kaart volmaken.
De meeste peuterspelletjes hebben met sorteren te maken…het selecteren en onthouden van kenmerken. Hoe meer kenmerken, hoe moeilijker het spel. Vanaf de kleuterperiode
kunnen daar kenmerken bij komen als oorzaak en gevolg (dat is dus net zo iets als voetbaltechniek…hoe raak ik de bal om hem weg te kunnen schieten). Daar hoort ook bij:
als ik dit doe (vier gooien) gebeurt er dat (kom ik in de put van ganzenbord). Maar dit is nadrukkelijk nog geen strategie. Geluk en ongeluk zit in het spel….de spelregels
bepalen dat je dan in de put komt…niet jouw medespelers en zelfs niet jouw opzettelijke doel (want een dobbelsteen gooien met het door jouw gewenste aantal punten lukt
maar zelden).
Middenbouwers (6-9 jaar ongeveer) willen wat ze kunnen met elkaar vergelijken. Ze trekken als groep op en willen weten waar ze in die groep in de pikorde staan.
Dat kan per activiteit verschillen. Wie het ene moment de minste is, kan bij een Andere activiteit goed zijn. Dat is belangrijk want buiten de groep vallen of gepest worden
(onderaan de pikorde) kan het zelfvertrouwen voor het leven beschadigen.
In de bovenbouw leeftijd ontwikkelt een kind pas echte strategie; als ik dit doe, doet de ander vast dat en kan ik op die manier mijn doel bereiken…;
de combinatie van techniek en beleid.
Een kind dat niet tegen zijn verlies kan, kan niet aan de hem gestelde eisen voldoen omdat ze niet bij hem passen, is of heel egoïstisch (heeft niet geleerd te delen), of weet
niet wat het zelf kan. Jouw voorbeeld lijkt me op basis van de weinige gegevens die je me geeft van de eerste of derde categorie.
Ik gun dit kind succes en dat betekent dat hij moet ervaren wat hij wel kan. Begin met eenvoudige spelletjes (volgens de peuterkenmerken). Dat is iets anders dan kinderachtige.
Memorykaartjes zijn er ook met afbeeldingen die passen bij zijn interesse. Ga daarbij niet uit van de spelregels. Begin bijvoorbeeld niet met alle kaartjes maar doe
‘vlugge’ spelletjes met 20 setjes en speel ook andere spelletjes; de plaatjes aan elkaar vertellen, of ze neerleggen op alfabetische volgorde, sorteren enz.
Daarna komen de kleuterspelletjes met duidelijke spelregels en geluk of ongeluk door het spel…dit zijn vaak de traditionele spelletjes als ganzenbord. Belangrijk is om
vooral winst of verlies niet door medespelers te laten bepalen…dus geen kwartetten en mens erger je niet….
Daarna de spelletjes waarbij vaardigheid getoetst
wordt…bijvoorbeeld evenwichtspelletjes als Pisa, of sjoelen, of kegelen; reactie en vraag-en-antwoord spelletjes. Pas dan weer eens proberen te toetsen hoe sterk hij staat
tegenover medespelers… (Door gebruik te maken van speelotheek kan hij spelletjes en speelgoed uitproberen.)
Hetzelfde verhaal geldt voor voetbal. Ik gun hem een bal en een muur waarop hij kan oefenen, liefst ook een ouder en een vriendje waarmee hij gewoon over kan gooien en schoppen.
Techniek bestaat ook uit kunstjes oefenen, om pionnen laveren, bal hooghouden. Maar als hij voetballen helemaal niet leuk vindt zorg dan dat hij ontdekt wat hij wel
kan…tekenen, muziek maken, judo, dieren…. 8 jaar is de leeftijd om kennis te maken met clubs….laat hem op verkenning uitgaan.
Misschien is scouting wat…. Laat hem voelen en weten dat hij mag zijn wie hij is, dat hij goed is zoals hij is maar dat hij ook nog veel over zichzelf te ontdekken heeft
omdat hij uniek is en speciaal, zoals alle mensen zijn, met heel veel interesses en mogelijkheden die in en om hem wachten tot hij ze opmerkt.
Huilen en boos worden kan heel snel leiden tot aangeleerd gedrag…als me iets niet zint ga ik huilen of boos worden zodat iedereen schrikt of medelijden heeft en ik toch
mijn zin krijg. Probeer zijn teleurstelling om te zetten in iets positiefs door vragen te stellen: Hoe zou je het beter kunnen, wat is er voor nodig, wat zou je willen weten, aan
wie kunnen we dit vragen….geef hem de verantwoording niet alleen voor falen maar ook voor zijn zoektocht naar hoe het wel lukt…. En complimenteer hem met alles wat
hij wel kan…vraag hem waar hij zich goed bij voelt en hoe dit komt….
Voorkom vlucht gedrag in eten, computer, televisiekijken, binnen zitten en solitair spelen.
Een vriendje kan genoeg zijn.
